Wonen in de Brugse Poort: vroeger, nu, en binnenkort

TEKST & BEELD KATELIJNE TIJSEBAERT
Op zoek naar de ziel van de Brugse Poort, ging Katelijne Tijsebaert praten met enkele bewoners: jong en oud, van hier en van ergens anders, in de Brugse Poort geboren of pas toegekomen.

Op mijn vraag “Waarom ben je weggegaan en waarom ook terug gekomen naar de Brugse Poort?” kreeg ik als antwoord: “Tja, ik woonde aan de verkeerde kant … iedereen zei me dat toen ik over mijn ergernissen sprak. Ik was alles een beetje moe en moest bekomen en ben dan maar twee jaartjes gaan uitrusten op den buiten in Mariakerke. Maar weet je wat, er was daar meer lawaai dan hier; de auto’s rijden daar veel vlugger. Het was ook een donker doorloophuisje, niet eentje om echt te blijven. Ik voelde dat dit maar tijdelijk was. Toen heeft het lot beslist en vond ik een huisje, en nu woon ik aan de goede kant. Het is hier rustig, de zon weerkaatst zo mooi op de ramen van de overkant en ik krijg het goede daarvan: veel binnenvallend licht. En rustig dat het hier is. Ik heb mijn thuis gevonden.’

De goede kant
“Woon jij graag op de Brugse Poort?” “Alles valt en staat met goede buren,” kreeg ik als eerste reactie. “En ja, je moet ook aan de goede kant wonen hé.” “Wat bedoel je? De goede kant?” “Awel ja, als je aan de goede kant woont heb je geluk, hier is het goed, rustig, veel licht én goede buren. Ja, ik woon heel graag op de Brugse Poort. De huizen lijken aan deze kant precies ook groter, aan de andere kant zijn het zo meer van die kleine arbeidershuisjes, nog geen vier meter op vier en zo nog eens vier meter op vier daarachter met een kamertje boven en een zoldertje. Een beetje zoals die huisjes van vroegere textielarbeiders. Deze kant is veel beter, hier zijn de huizen groter en hoger, met koetspoorten waar ze nu een garage van maken. Ik ben blij dat ik aan deze kant woon.”

Hier geboren
“Ik ben hier geboren, in de Hamerstraat en ben blijven werken in de zaak bij vader en dan bij mijn broer. Er waren de babbels met de klanten, in het Gents of het beschaafd Nederlands, we pasten ons aan. Ik leerde mijn man kennen die in de Olijfstraat woonde. Hij had pas een huis gekocht met plaats voor een magazijn, ook op de Brugse Poort, dicht bij de klanten. Dat magazijn had hij nodig voor zijn zaak. Dan hebben we als tussenoplossing even op een appartement gewoond en zijn dan in het nieuw gebouwde huis gaan wonen, terug op de Brugse Poort. En of ik hier graag woon? Ja natuurlijk, ik heb er nooit aan getwijfeld, en ik heb hier een aangename tuin. Het is wel een straat met bijna uitsluitend doorrijdend verkeer. Met de oorspronkelijke buren had ik veel meer contact dan nu. Op zondag vroeg ik of ze iets nodig hadden van de markt … ‘bananen’ en dan bracht ik bananen mee. De naaste buurvrouw bleef uit gewoonte onze stoep vegen. Af en toe deden we een babbel, meestal over de tuinmuur. Nu komen de kleinkinderen op bezoek en heb ik een moestuintje bij het magazijn van mijn zoon, die zijn vaders zaak overnam. Ik zit daar vanachter te genieten van het groen. Er zijn veel winkels verdwenen, hier in de straat en op de Brugse Poort. Mensen verhuizen of worden oud en gaan naar een woonzorgcentrum. Ik zie minder mensen, op de bus herken ik af en toe wel klanten van vroeger. Ik weet ook wie naast mij woont maar contact is er minder. Ik ben steeds bezig en ja, ik voel me hier goed. Hier kom ik thuis.”

Linkeroever-Rechteroever
“Ik ben hier na het afstuderen blijven plakken. Ik kende de Brugse Poort niet echt, maar toen ik er kennis mee maakte trok de diversiteit en de levendigheid me aan. Ik was pas afgestudeerd en leefde van dag tot dag, besliste ’s avonds wat ik kookte en ging dan in de winkelstraat op zoek naar verse olijven, brood, kaas, groenten en fruit … Mijn eerste huurhuisje lag naast een levendig café maar dat stoorde me niet. Ik leefde nog een beetje als student en mijn actieve uren correspondeerden met die van het café. Ik genoot van de overbuurman die er met zijn aanhangwagentje voor zorgde dat zijn kroost parkeerplaats vond als ze thuis kwamen. Ik deed babbels met iedereen en af en toe trok ik me terug in mijn huisje. Hier, op de Brugse Poort, leerde ik ook mijn vriendin kennen. Zij had een huisje aan de andere kant … jazeker, zo wordt het hier verwoord, ook soms de linker- en de rechteroever. We zitten hier goed, kennen veel mensen, ook door de zoon, die heeft veel speelkameraadjes. Ze gaan samen naar de parkjes in de buurt en de ouders houden ze in het oog, we maken ook goede afspraken met hem. Heel leuk is ook de leefstraat, dat zijn aangename momenten, ontspannende avonden, namiddagen, soms een beetje te strak afgelijnd maar dan trekken we ons terug in ons huisje. Af en toe is het hier de zoete inval of gaat een van ons ergens bij iemand in de buurt een koffiedrinken en een babbel slaan. Onze naaste buren zijn oudere mensen, langs de ene kant zegt men ‘ieder huisje heeft zijn kruisje’ … de andere kant blijft meer op de vlakte: ‘vraag het eens aan uw zus’ … Winter en zomer hebben veel verschil. In de zomer gebeurt van alles buiten, vooral op de hoek aan de leefstraat. In de winter belt men gewoon aan voor een koffietje of iets anders. Wat me wel opvalt is dat de krakers niet allemaal hetzelfde behandeld worden; spijtig. We leven heel dicht op mekaar, soms is dat wat verstikkend maar het heeft toch een eigenheid, het vraagt enige tolerantie maar je krijgt er zoveel van terug. Er waait ook een actieve wind met de tweeverdieners die de weg weten om dingen in beweging te brengen of openbaar te maken, zoals de bowling waar iedereen van geniet. Ik vind het vooral ook heel fascinerend dat mensen zo dicht op elkaar kunnen wonen zonder noemenswaardige problemen.”

Den andere kant
“Ik ben het gewend om hier te wonen; ik ben geboren op de Brugse Poort, nu al een tijdje geleden. Mijn tante en nonkel woonden in de blokhuizen en ik ging regelmatig bij hen spelen. Ik ben dan getrouwd. Ja, je kent dat, dicht bij de familie wonen was toch gemakkelijk. Ik heb graag de familie bij mekaar. Uiteindelijk zijn we naar dit nieuw gebouwd appartement gekomen, rechtover ons huis. De kinderen wonen ook niet ver. Het is een blok van acht appartementen en we kennen iedereen. Nu komt de onderbuur elke dinsdag van 10 uur tot 11 uur stipt (hij kijkt telkens op zijn uurwerk) zijn babbeltje doen terwijl zijn echtgenote vrijwilligerswerk doet. We halen herinneringen op, of praten over politiek; elk onderwerp is goed. Hier kennen we de mensen uit de buurt, gaan we bowlen of kaarten in de kring. Maar aan de andere kant zou ik toch liever niet wonen hoor.” Wat bedoel je met ‘de andere kant’? “Wel, deze kant zijn we zo gewoon, hier wonen we al zo lang. In april zijn we 60 jaar getrouwd, dat is diamant, hé. Ze namen contact op van het stadhuis en we krijgen een mooie foto. Ik vroeg of de fotograaf naar hier kon komen. We zijn ook niet meer van de jongsten, hé. Laatst zaten we samen met een oud-collega; we zaten vroeger te lachen over hoe het zou zijn als we oud waren, awel nu zitten we hier: de vier oudjes tussen 79 en 86 jaar. Nu weten we wel wat oud zijn is.”

Hertrouwen met jeugdliefde
“Toen ik drie jaar was heeft mijn vader ons samen met mijn twee oudere broers en moeder naar hier gehaald en hier zijn nog vier kinderen geboren. We woonden en gingen naar school op de Brugse Poort. Zoals de traditie wil koos vader mijn studierichting: snit en naad. Ik maakte mijn opleiding niet af, ik deed het niet graag. Ik werd ook uitgehuwelijkt aan een neef. We hadden vijf kinderen maar ik vroeg de echtscheiding aan. Ik trok mijn plan, het was zo en niet anders. Ik ging terug bij mijn ouders wonen. Uiteindelijk hertrouwde ik met mijn jeugdliefde en samen hebben we nog een liefdeskind. Ik ben heel tevreden hier in de wijk, doe veel vrijwilligerswerk, ga elke dag bij moeder langs, vader is overleden. Enkel de drugs; zou de overheid daar eens drastisch werk van kunnen maken? Er blijven gebruikersspullen liggen in onze hal, de deur is al maanden kapot – er lopen daar kinderen hoor!’

Een eigen zaak in de Brugse Poort
“Ik woon sedert 1954 op de Brugse Poort, ik kom oorspronkelijk uit Waregem. Mijn schoonouders zochten een plek voor hun zoon, mijn man, om als zelfstandige een bakkerij te openen. Wij waren juist getrouwd en begonnen ‘op ons eigen’ in de Meibloemstraat met naast ons een kruidenier. Ik woonde er graag, alles was dichtbij. We kwamen ook goed overeen. Onze kinderen en hun kinderen speelden samen, gingen naar dezelfde school hier in de buurt. De klanten kwamen én naar de bakker én naar de kruidenier. De babbels deden hun toer, de mensen kwamen nieuwtjes halen. We hielpen mekaar en stonden klaar voor elkaar. De opkomst van de grootwarenhuizen was een beetje onze doodsteek. De meeste mensen deden daar hun boodschappen en als ze nog ‘een prutske’ vergeten waren, kwamen ze naar hier. Van die kleine beetjes kun je natuurlijk niet blijven leven, hé. Na sluitingsuur ging ik af en toe naar de KAV of volgde ik kooklessen. In ’93 zijn we gestopt en vlakbij in een rijhuisje gaan wonen. Mijn man is toen ziek geworden en ik heb hem alleen verzorgd, twee jaar lang, dat was zwaar. Toen hij overleed was ik heel onrustig. Ik heb toen veel gefietst. Toch ben ik altijd positief gebleven: het leven gaat door en ik ben dankbaar voor al wat ik nog kan. Ik zie soms vroegere klanten, maar steeds minder. Ze verdwijnen, gaan naar een rustoord of ja, ze gaan dood. Op de Brugse poort komen steeds meer jonge gezinnen wonen, ik heb dat graag. Ik voel me op mijn gemak; mijn sleutel ligt zelfs bij twee van de buren, dat geeft een gerust gevoel, ik weet aan wie ik een sleutel geef. Ik doe nog steeds mijn boodschappen in de buurt, maar naar een grootwarenhuis ga ik niet graag; alles is zo onpersoonlijk en het moet altijd snel snel snel. In de Turkse winkels ben ik nog niet binnen gestapt, ik weet eigenlijk niet waarom want in de Anti Crisis ga ik wel; ze zijn daar altijd vriendelijk. Als het weer tegenzit komt mijn dochter me halen om boodschappen te doen, of ze brengt mee wat ik nodig heb; wat zou ik zonder haar doen! Ik vind de buurt eerlijk gezegd nu zelfs een beetje beter, de mensen zijn veel meer open, vroeger was iedereen meer op zichzelf. Ik heb hier altijd graag gewoond.”

Bijna hier geboren
“Mijn ouders zijn op de Brugse Poort komen wonen toen ik één jaar was; mama was weer zwanger. We zijn altijd in dezelfde buurt blijven wonen, rond de school. Mama was een bloemistendochter en van haar heb ik mijn groene vingers. Ik ben trots op mijn tuin. Ik kocht het huis van mijn zus, het was oorspronkelijk van een kasteelheer die hier nog heel wat huizen en grond liggen had. Zijn kinderen hebben een paar huizen verkocht, er is toen ook een ‘binnenstuk’ vrij gekomen en ieder had de kans om zijn achterliggend stukje te kopen. Ik had het geluk dat de buren geen interesse hadden in zo’n stukje extra grond, waardoor ik een prachtig stukje groen achteraan heb waar ik vele uren van geniet. Vroeger heb ik eens een buur betrapt die slakken over de muur gooide, daar kon ik niet mee lachen; en lang geleden stonden er op dat middenstuk zelfs ezels. Ik woon nu 32 jaar in dit huis, en ik woon hier heel graag. Af en toe doe ik mijn babbel op weg naar de winkel, of hier in de buurt. Nu staan er stellingen en krijg ik af en toe respons van bewoners dat ik hun parkeerplek afneem … ik doe nochtans mijn best om de verbodsborden aan te passen, te verslepen, op te schuiven, kortom, dat er zo weinig mogelijk problemen zijn. Maar ja, soms zijn de mensen een beetje kortzichtig. Ik begin de buren te kennen aan hun auto of nummerplaat. Soms moet ik ’s morgens vroeg aanbellen of ze zich willen verplaatsen, dan zie ik er eentje in pyjamabroek instappen en hoop ik dat hij niet te ver terug moet stappen in zijn nachtgewaad. Maar de werken zijn bijna gedaan, dan zal iedereen weer blij zijn. Er heeft er hier al eens eentje aan de hekkens staan sleuren van frustratie. Vroeger was het stiller in de straat, er woonden meer oude mensen, nu zijn het veel jonge koppels met kinderen. Het is hier goed wonen, ge kent uw draai en keer, ge kent iedereen; mijn zus woont om de hoek, een belletje en ze staat hier, of haar dochter, soms sneller dan de wind. Enkel ’s avonds op bepaalde stukken van de Bevrijdingslaan ga ik niet meer, ik voel me daar niet veilig. Boodschappen doe ik bij iedereen, de meesten kennen mij, vragen soms of ik een huis te koop weet staan, ‘Niet hier op de steenweg, dat is veel te onrustig, wel in een kleiner straatje’ is dan de vraag. En de kapper was zo trots op zijn foto in de laatste Kommeere, hij vroeg me nog twee boekjes om op te sturen naar zijn familie. Voor mij is het goed wonen hier.”

Maar ik ben hier geboren
“Natuurlijk woon ik hier graag, ge zijt rap in ’t stad, met den talibanexpress, allez, met bus 3 en voor een wandeling in de volle natuur zijn de Bourgoyen en de Blaarmeersen op een boogscheut. Ik heb hier altijd in de omgeving gewoond, vlak bij Trezeke. Ik ging hier naar school, deed mijn eerste communie, mijn plechtige communie, ik liep school in de Boomstraat en in de Kiekenstraat en ik heb in de oude rode blokken en in de nieuwe gewoond. Nu zijn er drie blokken en één dwarse, vier hoog. Toen ze aan ’t bouwen waren, dat was een lawaai: radio’s van de metsers, vollen bak! Nu nog de straten en de voetpaden. Wist jij dat je in de oude rode blokken een douche kon nemen? Openbaar sanitair uitgebaat door ’t stad! Nu hebben we allemaal een eigen badkamer. Boodschappen doe ik meer richting Mariakerke, Ik ga ook veel zwemmen in de Rooigem, tot drie maal per week. Ik zwem met een vaste groep, dan ben ik de assistente, ik weet mijn weg en help degenen die het allemaal niet goed weten. Ik doe een paar vrijwilligersjobs; er is nood aan. Ik vraag me soms af wie er het meest aan heeft, de mensen die je helpt of de organisatie. Ik doe het heel graag en sommige jobs doe ik al jaren. Ik voel me verantwoordelijk en kan goed relativeren. Zo ga ik ook regelmatig wandelen met een paar buren; het hangt een beetje van het weer af waar we heen gaan, maar altijd zeker den blok om.” Mee met de echtgenoot “Ik ben in de Brugse Poort gaan wonen nadat mijn echtgenoot voor het werk overgeplaatst werd naar Gent. Ze zeiden dat het nooit zou wennen … gans mijn jeugd in een pensionaat. Mijn ouders woonden op het platteland maar ik woonde hier graag; winkels vlakbij, sommigen kwamen zelfs aan huis met de kar: melk, brood, groenten, vis, kolen, de wasman. Toen de kinderen groter waren hielp ik mee in de kinderweging, ik zat ook in de KAV en mijn man zat in het bestuur van de KWB. We kenden zoveel mensen hier. En toen de eerste Turken naar de weging kwamen met hun baby’s vond ik dat zo leuk. Mooie handwerken dat die maakten, en altijd bezig en vriendelijk. Ja, ik ben het alleszins heel goed gewoon geworden hier op de Brugse Poort.”

Hij, 91 jaar, zij, 87 jaar
Hij, 91 jaar met wandelstok, zij, 87 jaar, nog steeds klibber en bijdehand, ze vullen mekaar aan als ze praten, ze zijn nog steeds verliefd en dat merk je aan alles. Ze kennen mekaar al van hun tien jaar. “Al 25 jaar wonen we hier; we woonden op de Elyzeese Velden, ik wou het iets rustiger en had graag een tuintje. Mijn man zocht in alle kranten en na zijn werk reed hij rond om her en der te kijken. Hij gaf het bijna op maar ik wilde me verbeteren, rustiger wonen, niet meer dat je zo onmiddellijk op straat staat; een huis koop je natuurlijk niet zomaar gelijk een boterkoek. Hij had iets gezien en toen ik mee ging kijken wist ik dat het goed zou zijn: het was liefde op het eerste gezicht. Ik belde naar de notaris en vroeg ‘op hoeveel het zou komen alles in’. Met al onze spaarboekjes opgeteld hadden we juist genoeg.” Tijdens de oorlog was het leven hard, vooral voor hem, hij moest mee met zijn vader naar Polen om te werken. In Polen werden ze gescheiden, hij was pas zestien. Hij werkte als ajusteur in de vliegtuigfabriek wat de basis voor zijn carrière legde. Toen hij terug thuis kwam was het hele huis leeggehaald en kon hij nergens terecht; hij was gevlucht en ze waren bang voor represailles. Hij is dan bij een boer gaan werken tot na de oorlog. Zijn ouders hebben moeten wachten op de bevrijding door de Russen voor ze terug konden komen met een hospitaalschip. En toen kwamen ze mekaar terug tegen. Ze liepen dagelijks dezelfde weg: zij naar school, hij naar het werk, negentien en bijna zestien en verliefd. Ze zagen mekaar in een danszaal in Wondelgem, het was een coup de foudre. De hele namiddag hebben ze gedanst, en toen haar vader het ontdekte, was het huis te klein. Uiteindelijk hebben ze gewacht tot zij eenentwintig was om te trouwen. De ouders gaven geen toestemming maar op die leeftijd kon het ‘zonder hun zegen’. Na een carrière als moulemaker in de Lys, waarbij zij hem elke avond afsnuffelde omdat hij zo lekker rook naar al die vreemde houtsoorten waar hij mee werkte, wilde hij bij de sluiting niet meer voor een baas werken en ging hij bij het leger. Zijn ervaring in Polen kwam van pas. Via veel opleidingen, waarvoor hij onder andere een jaar in Alabama verbleef, kon hij als radarhersteller werken en moest hij tegelijk een opleiding volgen, wat het allemaal zwaar maakte. Haar moeder verklaarde haar gek om met vijf kinderen mee te gaan naar Amerika. “Maar moeder, ze voeden daar ook kinderen op!” Hij zat tussen jonge beroepsmilitairen die jaloers waren op zijn bevorderingen, maar uiteindelijk kon hij les gaan geven in Lombardsijde. Ze zijn verschillende keren verhuisd en staan open voor alle mensen en culturen. Ze slaan met iedereen in de buurt een babbeltje en kennen veel mensen, zelfs de Kosovaarse zonen van een beetje verder die kleine gebreken in hun huis komen herstellen. Nu nog maken ze alle dagen, arm in arm, een wandelingske en slaan liefst hier en daar een babbelke als ze uitrusten op een bankje. Volgende week is het grote revisie voor hem, naar het Palfijn, hij heeft suiker en zij is dan verpleegster; zij geeft twee keer per dag het spuitje. Haar ogen blinken als ze naar hem kijkt.

Twee bijna-nieuwkomers
“Zes maand zal het zijn dat we hier wonen. Ik deed aan ‘samenhuizen’ in het centrum, maar de sfeer in de buurt was daar anders. Iedereen is altijd zo druk bezig, ieder in zijn eigen huisje, ik miste iets. Ik ben dan op zoek gegaan in bepaalde buurten, wat niet alleen met de prijs te maken had maar ook met de sfeer. Toen ik dit huisje zag, voelde ik een klik, dit was het, dit voelde goed, het klopte! Ik was nog aan ’t verhuizen toen ik al aangesproken werd door de overburen. Hier beweegt wat, hier wordt geleefd, hier is veel te doen: in het Pierkespark, bij’ de Vieze Gasten, de mix van mensen, het multiculturele.” Als ik heel voorzichtig vraag of er overlast is van de moskee kijkt ze me verwonderd aan. “Nee, de meesten komen te voet en met de fiets. Nog een fietsrek, dat zou van pas komen. Ik woon hier samen met mijn broer, dat voelt vertrouwd, bekend. Voor boodschappen hou ik nogal van vers, bio en de korte keten, maar de winkels op de steenweg zijn praktisch als je iets tekort hebt, ook in het weekend. Ik kwam hier in de zomer, ik voel dat het tijd is dat het weer zomer wordt. In de winter is het hier veel stiller, er mag buiten wat meer beweging zijn voor mij.” Een beetje zoekende “Ik woon hier nu acht jaar, en het was en is nog steeds wennen. Nu woon ik in een rijhuisje, ik kom van een landelijke omgeving, niet echt het platteland, maar toch. Gelukkig heb ik hier een tuintje, al vijf jaar ben ik er in bezig en elk jaar wordt het mooier. Ik integreer hier heel rustig aan in de wijk, ben eigenlijk een beetje zoekende, wil een ander leven. Ik heb nu meer tijd en kijk ook uit voor vrijwilligerswerk. Ik heb contact met de buren, met de ene gaat dat al wat gemakkelijker dan met de andere. Zelf zal ik eerder iets uitlenen dan iets te vragen, maar altijd geef ik een vriendelijke goedendag. Bij de overburen heb ik al eens stoelen geleend, of een postpakket laten afgeven. Mijn zoon woont hier om de week maar die leidt een eigen leven, hij is ook al 23. Boodschappen doe ik een beetje overal, hier in de buurt, of in ’t grootwarenhuis of bij de plaatselijke winkels, en oh ja, ik heb ook een poes.”

Verbluft kijkt ze me aan
“Waarom ik nog op de Brugse Poort woon? Maar ik ben hier geboren, ik woon hier heel graag, dat is hier mijn stek. Mijn man was van hier, twee huizen verder, ikzelf kom van de rode blokken. Toen we trouwden zijn we een paar jaar in het centrum gaan wonen, maar daar woonde ik niet graag. Toen onze zoon naar school ging, zijn we terug naar hier gekomen. Ik woon hier nu, laat me eens tellen, 41 jaar. En het is hier goed! De dichtste buren, ook aan de overkant zijn zeer oké. Zij kwamen zelfs op bezoek toen mijn man ziek was. Met de dochter van de Marokkaanse buren van wat verder klikt het heel goed, die zal rond de 30 zijn; zij heeft hier gestudeerd. Ik heb ze weten aankomen, de Turken en de Marokkanen, en nu gaat de ene na de andere familie weg, het huis staat te koop. Ik neem het hen wel een beetje kwalijk dat ze nu beginnen te verhuizen omwille van de volgende nieuwelingen. Ik zeg altijd wat ik denk, ook tegen hen. Wij hebben jullie toch ook getolereerd, waarom kunnen jullie de nieuwelingen ook niet aanvaarden? Ik vind ook dat ze soms nogal een kort lontje hebben. De kinderen spreek ik ook aan als ze hun papiertjes op de grond laten dwarrelen; ik vraag dan of ze thuis geen vuilbak hebben. Ook tegen de jonge koppels die hier komen wonen, zeg ik wat ik denk. Dat is toch een beetje een apart ras hoor. Die spraken niet eens tegen de oudere bewoners, tot op een vergadering over de Leefstraat, toen zei ik dat gemoedelijkheid zich niet mocht beperken tot de periode van de leefstraat; ze gaven me gelijk. Nu zeggen ze wel al goedendag maar ook niet méér. Mijn hart ligt eigenlijk op Trezeke, over de lichten, dat ken ik al vanaf dat ik kind was, daar ben ik geboren en daar doe ik heel veel vrijwilligerswerk. Ik ben nu, met een nieuwe term, ‘teamleider’ van Okra. We organiseren van alles in de kring: petanque, kaarten, gezellig bijpraten met een koffietje of een glaasje bier, en alles zonder subsidies. Er is ook elk jaar de wijkkermis, maar dit keer zal het zonder mij zijn, ik moet naar een trouw en dat gaat voor. Wat wel een goede zaak is, is dat de oudere Turkse en Marokkaanse vrouwen nu eindelijk Nederlands kunnen leren; nu de kinderen het huis uit zijn hebben ze daar eindelijk tijd voor.”

Hopeloos gezocht
Vijf maal ben ik ter plekke gaan aankloppen, met de wijsvingerknokkel en de fietssleutel, in de hoop dat mijn 80-jarig slachtoffer thuis zou zijn. Hopeloos, in regen, wind, vrieskou; ik heb het opgegeven. Ik wilde haar vragen waarom ze na 80 jaar nog steeds op de Brugse Poort woont! Nee, ik heb geen antwoord, ik kon niet eens de vraag stellen, de deur bleef gesloten en op de laatste zondag, de dag voor de deadline gaf ik het op.

Binnenkort
“Ik woon nu nog in Evergem maar ik ga verhuizen naar de Brugse Poort, waarschijnlijk naar de Kiekenstraat. Ik mis de stad en wil mijn auto verkopen. En als ik terug in De Brugse Poort woon moet ik nooit meer op reis; de hele wereld ligt in de Brugse Poort. Ik kan niet wachten om te vertrekken.”

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: